vrijdag 19 juni 2009

EEN NIEUWE DORPSDICHTER VAN DOEL

Mark Meekers, de eerste dorpsdichter van Doel heeft twee jaar lang actief, strijd gevoerd voor het behoud van het dorp . In het ontmoetingscentrum De Doolen feliciteerde hij zaterdagavond onder ruime belangstelling zijn opvolger Frank De Vos. Deze historicus uit Antwerpen is een artistieke duizendpoot. Hij schrijft poëzie en proza, schildert en musiceert. Hij won de DorpsDichterDoelwedstrijd met het sterke gedicht

HABEAS CORPUS

Wij hebben een lijf, omdat we geen stad zijn,
geen samengedreven vee, geen blauwe r
die aanrolt op het betonrot van een havendok
omdat we taarten eten, smoutebollen bakken,
er joelende kinderen spelen,
omdat de boer zijn boerin hier kust, er nog
een molen staat, er geen metaalmoeheid raast
omdat we geen klaplong zijn, geen palliatief verhaal,
geen geslepen gebit van een baggerkraan
omdat we hier 's avonds de soep uitscheppen, bij elkaar
op de stoep, om ons gezicht een laatste praatje slaan
Wij hebben een lijf, omdat we geen stad zijn,
en "zie je" zeggen, en "ook zo", we ons Doel
noemen, niet Guantanamo Bay

UIT HET JURYVERSLAG:

“'Habeas corpus' is een actueel, nostalgisch en toch ook strijdvaardig gedicht waarin een vergelijking wordt gemaakt tussen de rechtenlozen in Doel en de gevangenen van Guantanamo Bay. Het staat sterk door zijn ritmiek en het contrast van poëtische en volkse taal. Het is een gedicht op niveau met een universele titel en krachtige beelden: 'omdat de boer zijn boerin hier kust', 'omdat we hier ’s avonds de soep uitscheppen, bij elkaar op de stoep zitten…'.
De jury besliste dan ook unaniem om de eerste prijs toe te kennen aan dit gedicht. 
De nieuwe dorpsdichter van Doel wordt dus Frank De Vos.”

Mark Meekers, juryvoorzitter

DE DOEL-GEDICHTEN VAN MARK MEEKERS

MARK MEEKERS bundelde de 55 gedichten die hij als eerste dorpsdichter van DOEL (2007-2009) schreef in een nieuwe uitgave:"DOELGERICHT".

Met een hand die streelt en slaat, maar altijd ongebonden blijft, los van partijpolitieke of ideologische bindingen, klaagt Meekers de ondergang van het polderdorp aan, dat zou moeten wijken voor de uitbreiding van de haven van Antwerpen.
De gedichten uit deze 18-de bundel werden voorgelezen op poëzie-avonden en concerten, prijkten mansgroot op de dijk en aan de gevels van het dorp, maakten deel uit van de "Gedenkweide".
In deze post-modernistische tijd van klein-geestigheid zijn er nog grote verhalen te vertellen. Ze worden niet verhuld in een discriminerend hermetisme, maar op een leesbare wijze aan de lezer aangeboden. Lieflijk, maar ook keihard, bewijst Meekers met zijn verzen dat poëzie nog steeds geëngageerd kan zijn.

ENKELE COMMENTAREN

- "Schitterend" (Walter A.P. Soethoudt)
- "Erg aangrijpend waren de gedichten, de mensen hielden hun adem in en hier en daar zag men een traan. Verdriet en machteloosheid over de teloorgang van dorpen en polders." (Cleiren, de Wase koerier)
- "Pakkend, en het concrete engagement verhoogt het omvattende van het thema, de verschrikking van de kaalslag altijd en overal, en het poëtische verzet, al even universeel. "Doel" zou het aan alle politici cadeau moeten geven of gratis aan het publiek uitdelen als de politici weer op hun verkiezingsros de ronde gaan doen." (Boudewijn Buckinx, componist)

De bundel "DOELGERICHT" kan worden besteld door overschrijving van 15 euro (63 blz. / verzending inbegrepen) op rekening 000-0618809-46 van Marcel Rademakers, Leo Dartelaan 20, 3001 Heverlee met de vermelding "Doelgericht".

dinsdag 27 mei 2008

MARK MEEKERS: ORPHEUS IN DE HAVEN (8)


8. BIBLIOGRAFIE (VOORLOPIGE)


- R. Adem, art.: Dorpsdichter Doel: Mark Meekers, 30-03-2007 in: http://www.volkskrantblog.nl/bericht/118298

- Art.: Artistieke avond, in: De Auteur, driemaandelijks tijdschrift, december 2006, p. 15

- Art.: Het literaire leven in en om Vlaams-Brabant, in: Verba, jg. 10, nr. 2, mei-juli 2006, p. 5

- Art.: Leesvoer, in: Vrijuit, Gazet van Antwerpen, donderdag 4 mei 2006, p. 65

- Art.: Orpheus in de haven, in: Stichting Eugeen Van Mieghem Foundation, driemaandelijks tijdschrift, jg. 24, nr. 87 juni-juli-augustus 2006, p. 4

- Bert Bevers, art.: Dichterdata, in: Poëziekrant, jg. 30, nr. 5, oktober-november 2006, p. 8 kol. 1-2, ill.

- Dirk Blockeel, art.: Papieren Spiegels – Meekers betekent Van Mieghem, in:

Ambrozijn, driemaandelijks artistiek tijdschrift, jg. 24, nr. 4, 2006-2007, p. 39-42

Art.: Eugeen Van Mieghem Wandeling, zondag, september 03, 2006 in: http:// poezieinvlaandere.blogspot.com/2006/09/eugeen-van-mieghem-wandeling.html

- Koen Cauwenberghs, art.: Orpheus in de haven, in: Den Brabo, Uw Antwerpse Weekkrant, 2006

- F. Decerf, art.: Orpheus in de haven, in: De Auteur, driemaandelijks tijdschrift, juni 2007, p. 12-13

- F. Decerf, art.: Mark Meekers, “Orpheus in de haven”, in: Dighter, jg. 7, nr. 3-4, 2006, p. 15

- Dokschuimertjes, in: Stroom, driemaandelijks digitaal poëzietijdschrift, jg. 6, nr. 22, september 2006, p. 24, ill.

- Elixir d’Anvers, in: Stroom, driemaandelijks digitaal poëzietijdschrift, jg. 6, nr. 22, september 2006, p. 23

- Emigranten, in: Poëziekrant, jg. 30, nr. 5, oktober-november 2006, p. 8

-Yves Joris, art.: Orpheus in de haven, in Lettergoesting, 05 september 2006

- Art.: Mark Meekers is de dorpsdichter van Doel, in: Nieuws uit Doel, electronische nieuwsbrief van Doel 2020, 29 juni 2007, jg. 10, nr. 3

- Gerda De Preter, art.: God noch Gebod, in: Concept, multicultureel literair tijdschrift, jg. 20, nr. 4, december 2006, p. 276-283, 2 ill.

- Gerda De Preter, art.: Ni Dieu, ni Maître, Poëzie als maîtresse van het anarchisme, in : Verba, jg. 10, nr. 3 augustus-october 2006, p. 9-13

- R. Van Tulden, art.: Orpheus in de haven, in: Bladwijs, december 2006, p.3, ill.

- B. Vlierhuis, Orpheus in de haven, in: Meander , april 2007 (internet)


MARK MEEKERS: ORPHEUS IN DE HAVEN (7)

7. DE AUTEUR MARK MEEKERS



KORT BIO


Mark Meekers is het literaire pseudoniem voor Marcel Rademakers.

Hij werd geboren te Blaasveld (1939, provincie Antwerpen, België).

Zijn jeugd bracht hij door in het Antwerpse Sint-Andrieskwartier, "parochie van miserie" en keerde in de vakanties terug naar de Limburgse Kempen (Lommel), waar zijn ouders van afkomstig waren.


Hij volgde Grieks-Latijnse humaniora aan het Sint-Jan Berchmanscollege te Antwerpen en studeerde Wijsbegeerte en Letteren (Moderne Geschiedenis) aan de K.U. Leuven.

Na kortstondig wetenschappelijk werk opteerde hij voor het onderwijs waar hij esthetica en geschiedenis doceerde.


Hij was creatief in de jeugdbeweging. Hij schreef tekst en muziek voor stapliederen en een zangspel "De sprekende vogel", dat in 1965 in Antwerpen opgevoerd werd. Hij ontmoette er Kor Vander Goten, "de uitvinder van het Vlaamse chanson" en begon op zijn instigatie met het componeren van luisterliedjes (poëtische tekst en muziek). Hij bracht zijn chansons met eigen gitaar- of luitbegeleiding op tal van podia o.a. op Kleinkunsteiland, Leuven. Hij stak hiervoor een tiental onderscheidingen of selecties op zak.


Hij publiceerde zijn eerste bundel (1968) in eigen beheer en hield contact met het Antwerpse literaire en artistieke milieu uit de jaren zestig. Hij evolueerde naar een meer experimentele schrijfwijze waarvan de neerslag te vinden is in de bloemlezingen “Tempus Fugit” onder redactie van J. Bierkens. Hij pionierde mee op het vlak van de visuele poëzie (zie het proefschrift van Nienke Wijkstra, Mark Meekers, Grensoverschrijdende poëzie, Un. Amsterdam, 45p., ill.).

Hij bleef schrijven zonder te publiceren en liet de andere helft van zijn tweelingschap aan bod komen in de beeldende kunst. Hij illustreerde jongerentijdschriftjes, maakte muurdecoraties en had voeling met de Antwerpse artistieke middens: een eerste individuele tentoonstelling en meerdere groepstentoonstellingen volgden.


Vanaf ’80 nam hij de pen terug op en werd zijn werk klassieker van schriftuur. Na enkele literaire prijzen in de wacht gesleept te hebben liet hij zich in '84 overhalen tot de publicatie van een poëziebundel bij uitgeverij Yang. Vanaf dat ogenblik volgden de publicaties elkaar op.

Hij publiceerde één roman en zestien bundels poëzie, stelde verzamelbundels samen, leidde catalogi in, schreef kortverhalen en essays over literatuur en beeldende kunst. Hij publiceerde zijn gedichten in (meestal Vlaamse) literaire tijdschriften als DW&B, Yang, Poëziekrant, Deus ex machina, Vlaanderen, Kruispunt, Appel, Zefier, Gierik/NVT, Pi, Lyra (Nl), De houten gong, Concept, Parmentier (Nl), Verba e.a. Hij verleidde kranten en magazines als Knack, De Standaard der Letteren, Het Belang van Limburg, Gazet van Antwerpen, Metrokrant, Sabam-Magazine tot publicatie van zijn gedichten.

Zijn werk werd opgenomen in kunstmappen. Componist Dirk Blockeel zette twee cycli liederen op muziek.

Bernard de Coen vertaalde meerdere bundels naar het Frans o.a. “Een adem van brons / Un souffle d’airain”, uitgeverij-P (2005).


Hij was/is redacteur van de literaire tijdschriften als Zefier, Letters, Leuvense Letters, Mengmettaal-tje en Concept.

Hij jureerde in tal van poëziewedstrijden en prijzen voor kortverhaal zoals de Poëziewedstrijd van het tijdschrift Letters, de Poëzieprijs van de stad Leuven, van de stad Tongeren, de gemeente Keerbergen, de gemeente Herent, de August Vermeylenprijs (Vilvoorde), Jeanne Van de Putteprijs (Blankenberge), de jaarlijkse Concept Poëzieprijs (Brugge/Hilversum), de Tweejaarlijke Poëzieprijs van de stad Oostende, van Mengmettaal(-Galerie Hannah) en allerlei lokale wedstrijden van (hoge)scholen of tijdschriften.

Hij trad op voor radio en televisie (o.a. in Coda TV2, bij de regionale zender R.O.B.) en leest geregeld uit zijn werk op literaire manifestaties (het Europees Poëziefestival, Leuven Literair, de poëzieavonden van Mengmettaal).


In 1991 richtte hij met o.a. Johan van Cauwenberge en Karel Sergen het dichterscollectief Mengmettaal op, waarvan hij tot op heden voorzitter is. Het collectief stimuleert het werk van de leden, richt poëziemanifestaties in, en laat geregeld publicaties verschijnen. Het poneert dat het postmodernisme zelf “een groot verhaal” geworden is en inhoud opnieuw primeert op gratuite taalacrobatiek en cynisme.

Zijn werk is antihermetisch, helder, evolueerde van experimentele barokke expressie naar elementaire zegging. Het is existentieel en sluit aan bij de magische en religieuze benaderingswijze van het leven, die gul gebruik maakt van symbool, beeld en metafoor. Het beeldgedicht draagt zijn voorkeur weg. Tal van losse verzen en zes bundels brengen een hommage aan het leven en het werk van een beeldend kunstenaar, wiens visie affiniteiten vertoont met die van de dichter: Van Gogh, Camille Claudel, Rembrandt, Paul Gauguin, Constantin Meunier en Eugeen Van Mieghem. Marc Chagall staat te dringen.


Zijn literair werk werd meer dan honderdtwintig maal bekroond (in Vlaanderen en Nederland): Mark Meekers is dan ook (volgens de Poëziekrant e.a.) "de meest bekroonde Vlaamse dichter". Sinds 1993 is Meekers fulltime auteur en ruilt hij geregeld het overstresste, verstedelijkte Vlaanderen in voor het landelijke, authentieke Zuid-Frankrijk.

In 2007 werd hij de eerste dorpsdichter van de bedreigde poldergemeente Doel.


Onder zijn echte naam, Marcel Rademakers, is hij is eveneens actief als beeldend kunstenaar. Hij pionierde op het vlak van de visuele poëzie, sloeg met zijn sculptoons, beeldgedichten en beeldpoëmen een brug tussen gedicht en beeldende kunst. In '67 richtte hij met de beeldhouwers Dries en Monteyne en de schilders Koelman, Kari Bert, De Leger en Largot de internationale groep Lumen Numen op. In '85 stichtte hij in Frankrijk met Rudy Meekers (Fr.) de internationale groep Fusion, artistes peintres du Sud-Ouest met o.a. Mocetti (It), John Bailey (G.B.), Victor Ryath (U.S.A.). Hij hield een twintigtal individuele tentoonstellingen, nam deel aan talrijke groepstentoonstellingen in binnen- en buitenland. Hij schreef essays over schilder- en beeldhouwkunst en leidde het werk in van een vijfigtal kunstenaars.

--

Naar: Ivo A. Dekoning, art.: Mark Meekers, in: Schrijvend over Leuven, uitgeverij P, Leuven 2005, p. 76-78, ill.



BEKNOPT BIBLIO


ROMAN EN BUNDELS

- Orpheus in de haven, uitgave: Van Mieghem Museum, 2006, 84 p., 43 illustraties (poëzie)

- Een adem van brons / Un souffle d’ airain, Uitgeverij P, 2005, vertaling / traduction B. de Coen, 64 p., 9 kleurenillustraties (poëzie)

- Paradijskoorts, gedichten omtrent Paul Gauguin, Leuven, Uitgeverij P, 2002, 64 p., 11 illustraties in kleur (poëzie)

- Feesten van Licht, Uitgeverij P, Leuven, 1999 (poëzie)

- Een wijze van zien, een wijze van zijn, (poëtische vertaling van het picturale werk van F. Lambregs), 12 gedichten, 4 litho’s op Japans papier, handgezet, livre d’artiste, bibliofiele editie, Linden, 1996 (poëzie)

- Spiegelschrift, Uitgeverij P, Leuven, 1995 (poëzie)

- O! Flinterverzen, F-Fusion, Champniers, 1995 (poëzie)

- Een steenworp in de tijd, De Beer, Torhout, 1993 (poëzie)

- Asiel in Niemandsland, Ars Scribendi, Antwerpen-Harmelen (Nl), 1992 (roman)

- Een schot in de zon, Leuvense Schrijversaktie, Leuven, 1990 (poëzie)

- Ongeneeslijk Feest, Leuvense Schrijversaktie, Leuven, 1988 (poëzie)

- Een druppel licht, flinterverzen, F-Fusion, 1987 (poëzie)

- Kleine hartkamersuite, Litera, Beringen 1986, herdruk F-Fusion, 1986 (poëzie)

- Wat blijft er nog na woorden?, 't Kofschip, Hilversum/Brussel, 1984 (poëzie)

- Verrukkelijk Vergankelijk, Yang, Gent, 1984 (poëzie)

- Bladspiegels, flinterverzen, F-Fusion, Champniers, 1983 (poëzie)

- Grenslijn van Verveling, eigen beheer, Antwerpen, 1958 (poëzie)


VERZAMELBUNDELS, BLOEMLEZINGEN SAMENGESTELD DOOR MARK MEEKERS

- Spitten in de taaltuin, natuur- en tuingedichten, (bloemlezing), samenstelling: Mark Meekers, uitg.: Mengmettaal, Leuven, 2006, 32 p.

- Pennentrekken, samenstelling: Mark Meekers - Lieve Devijver, uitg.: Mengmettaal, Herent, 2004, 50 p.

- Aan de Tuintafel, een ruiker natuur- en tuingedichten, samenstelling: Mark Meekers,

uitg.: Mengmettaal, Leuven, 2004, 28 p.

- Mark Meekers - Ton Luiting, Kostbare Momenten, thematische verzenbundel over heimwee en verlangen, uitg.: Concept, Hilversum, Brugge, Pretoria, 2004, 160 p.

- Voorbij, gedichten over vergankelijkheid en (eeuwig) leven, samenstelling: Mark Meekers, uitg.: Mengmettaal, Leuven, 2003, 28 p.

- Mengmettaal, Schrijversgenootschap, gedichten - 1999, samengesteld door Mark Meekers, uitg.: Mengmettaal, Herent, 1999, 88 p.; tweede druk, 2000, 92 p.

- Ensor, gedichten, kunstmap met gedichten van zeven auteurs en foto’s van Wim Menheer, samenstelling: Mark Meekers, uitg.: Mengmettaal, Leuven 2000, 8 p.

- Wij zijn reizigers, thematische verzenbundel over levensloop en levenslot, samenstelling Mark Meekers en T. Luiting, uitg.: Concept, Hilversum/Brugge/Pretoria, 1999, 176 p.

- Afrika, uw dochters zijn uw vlaggen, (tweetalige bloemlezing), samenstelling: Mark Meekers, uitg.: Mengmettaal, Herent, 1999

- Mijn Lust en mijn Leuven, gedichten, samenstelling Mark Meekers, uitg.: Mengmettaal, Leuven, 1998, 12 p.

- Hoffelijke woorden, gedichten rond tuin, natuur en landschap, samenstelling: Mark Meekers, uitg.: Mengmettaal, Leuven, 1998, 32 p., ill.

- Mengmettaal, Schrijversgenootschap, gedichten, samenstelling Mark Meekers, uitg.: Mengmettaal, Leuven, 1997, 48 p.

- Mengmettaal, een dichterscollectief, samenstelling Mark Meekers, uitg.: Mengmettaal, Leuven, 1996, 25 p.

- Albert Giraud, Pierrot Lunaire, (vertaald door de auteurs van Mengmettaal), samengesteld door Mark Meekers, uitg.: Mengmettaal, Leuven, 1995, 112 p.

- Vereniging van Wetenschappelijke en Kulturele tijdschriften, jaarboek '87, in samenwerking met G. Cloet, uitg.: Leuvense Schrijversaktie, Leuven, 1987, 59 p.


TAL VAN GEDICHTEN, ESSAYS, KORTVERHALEN, RECENSIES IN TIJDSCHRIFTEN, BLOEMLEZINGEN, SCHOOLUITGAVEN

MARK MEEKERS: ORPHEUS IN DE HAVEN (6)

6. OP DE PUNT VAN DE PEN (RECENSIES)


- “…‘Orpheus in de haven’ is pure poëzie, want Mark Meekers schreef gedichten bij het leven en werk van kunstschilder Eugeen Van Mieghem. Van Mieghem tekende en schilderde de haven op poëtische wijze; Meekers zet de werken om in taal.
De bundel is een niet alleen waardevol om zijn inhoud; er zijn slechts 1.000 exemplaren van gedrukt en ze zijn stuk voor stuk met de hand genummerd. Een bibliofiele uitgave dus…”
(Koen Cauwenberghs in: Den Brabo, Uw Antwerpse Weekkrant, 2006)

*

- “Mark Meekers is de Ensor van het woord, de Baudelaire van de poëtische gedachte. Voor Mark Meekers zijn poëzie en schilderkunst communicerende vaten. In de twee disciplines is er de meticuleuze aandacht voor kleur en lijn, beeld en compositie.

Wie de gelaagdheid van de menselijke ziel wil leren kennen, raad ik aan om de poëzie van deze dichter te lezen. Introspectie, oog voor het wezenlijke detail, scherpzinnige observatie van de maskerade van het dagelijkse leven, dat alles overgoten met een vleugje cynisme en broodnodig relativeringsvermogen vindt u in het werk van Meekers…” (Gerda de Preter / Tweebronnen, Leuven, 2006)


*

- “Het is bijna onvoorstelbaar hoe twee kunstenaars elkaar begrijpen. Nooit hebben ze, levend in een andere wereld en tijd, elkaar ontmoet, en toch sloeg de vonk over.” (G. Verhenne / Ambrozijn 2006)


*

PAPIEREN SPIEGELS – MEEKERS BETEKENT VAN MIEGHEM


- “(…) Mark Meekers bracht zijn jeugd door in het Antwerpse Sint-Andrieskwartier, ‘de parochie van de miserie’. Op onze ultieme zoektocht naar het licht (zo vertel ik het Gerda De Preter na) gaan we scheep met de underdog. In de onderwereld van de haven stellen we het licht niet onder de korenmaat; we geven onze ogen de kost!

Vooral de begingedichten, met de hij-figuur van de (later ook in de ik-vorm opgevoerde) tekenaar als onderwerp, zijn definiërend gedacht, stippelen het terrein uit. De eerste zin belijdt de scheppingsdrift van de tekenaar: “hij kent niet de angst voor wit papier, / tekent zoals hij ademt, hevig authentiek.” En in de derde zin gaat het er als volgt aan toe: “hij treft raak, recht in het hart, // loopt tegen het lijf, neemt nota, stoot / zich aan, maar ontmoet niet, grist uit het / leven, snel zoals men een dagpauwoog / vangt, een zwerfkat bij het nekvel pakt.” De opsomming met in een eerder gering woordenbestek zowaar acht behoorlijk actieve werkwoorden, getuigt goed van koortsachtige activiteit waar ook het stevige stafrijm (zie het vetgedrukte) aan meehelpt. (Ook ‘Vincent van Gogh’, het openingsgedicht van Meekers’ ‘Een schot in de zon’ (1990) heeft als derde zin een uit vijf werkwoorden bestaande opsomming.) De wending ‘stoot zich aan’ kan als vrije vorm van ‘hij neemt aanstoot aan’ of als mededeling met weggelaten vervolg (reticentie of verzwijging in de stijlleer; de lezer heeft er het raden naar, mag invullen) worden opgevat. Volgens die laatste optiek lezen we dan iets in de zin van bijvoorbeeld ‘hij stoot’ (lees voor mijn part ook ‘stoort’) zich aan het onbegrip van de academiedirecteur, aan de armoede van het havenkwartier.

Ook in deze bundel bots ik weer op de eigenheden van de dichter die al embryonaal in eerdere bundels aanwezig waren (“de schemering wint veld” lees ik in ‘Ongeneeslijk feest’, 1988). Veel voorkomend zijn figuurlijke wendingen waarbij de letterlijke betekenis onbeschaamd meezingt: “een vagebond aan de grond” heeft meestal geen sou op zak en houdt zich vaak bedelend op bank of dorpel op. Het Meekersspelletje wordt duidelijk in deze passage uit ‘Scheiding’, waar de moeilijkheden in het tweede huwelijk (het zal je maar overkomen: “de verleden tijd van echt genieten / was echtgenote”) aan bod komen: “hij tekent haar niet / meer, wordt voortaan door haar getekend.” Thuisgekomen van kantoor schiet een brave huisvader nog wel eens zijn sloffen aan, want hij hoeft nu enkele uurtjes niet meer op te schieten; “soldaten aan lompen geschoten” echter hebben het minder comfortabel.

Hij doet het meesterlijk uit de doeken”, zeker, maar soms valt de scheiding tussen aan de ene kant vondst en aan de andere kant maniërisme moeilijk te trekken. (...) Vanzelfsprekend compenseert nogal wat taalvirtuositeit mijn restrictie. De “hoer die op prijs wordt gesteld” mag er zijn en de “blinde die het licht uit het oog verloor” is meer dan een aalmoes waard.

Bestaande uitdrukkingen gaan, licht vertekend, een ander, semantisch betekenisvoller, want gelaagder, leven gaan leiden. “Schepen gaan de mist in”, maar ook Van Mieghem is, net als de Schelde “mak, [en] moe van al dat spiegelen / en kaatsen” geworden: “nu wist hij ook de mensen, verliest haven // en goed,…”. Met het laatste citaat zijn we in de buurt van de zeugmafiguur à la ‘ik heb een hond en honger’ gekomen: ongelijke elementen worden door de ‘brug’ van een eender werkwoord met elkaar verbonden. In ‘Pose’ gaat Augustine uit de kleren: “korset, onderrok en schaamte stuk voor stuk / afgelegd.” Daklozen, “kleine misérables, havelozen in de haven” delen “bockbier en mening”.

Taalspelletjes leiden vaak tot mooie vondsten en sieren die passages waarin de erotiek met “de [welluidende, lief rinkelende] sleuteltjes van de opwinding” beleden wordt: “zij passen in elkanders / schoot als lepeltjes. voor geliefden is / het lijf hemellichaam. twee naakt geboren / ratten, dronken van elkaar.” En waarom laat de dichter in de volgende regel, “onder een vilten klokhoed, bim, bam, bonjour”, de klokken zo uitnodigend kleppen? Meekers weet waar de klepel van de associatie hangt en wekte de klok in klok-hoed tot beierend leven.

De gegeven citaten lieten het hier en daar al uitschijnen: nogal wat enjambementen zijn functioneel en/of zorgen voor een leesverrassing. Het licht op een naakt in potlood gezette Augustine “past als gegoten. knap / hoe het haar silhouet uitknipt, hoogglans o- / ver de borsten legt.” Deel uitmakend van het eenvoudige voorzetsel ‘over’ drukt de ‘o’ hier zowel de glans als het open mondje van de verwondering uit. (…)

Zoveel van wat ik al aanhaalde blijkt uit ‘Samen’. (…) Een “angst- / aanjagend gelukkig” leven “tussen asters en asteroïden” toont zowel iets dat in de buurt komt van het oxymoron (dergelijke ‘scherpe onzin’ puur je ook uit “oeverloos bijeen”, regel 14) als een associatieve tweelingconstructie die etymologisch naar ‘ster’ verwijst. Stafrijm en binnenrijm helpen de havensfeer tekenen in “dijk / en dok, reilen en zeilen”. Nog niet eerder vermeldde ik de hier en daar teder pinkelende, i-intieme verkleinwoorden: “tikkertje” en “lichtje’. Elders in de bundel kwam ik “glimlachje”, “kleedjes” en “de kleine lettertjes van het licht” tegen.


Besluit. “Zoveel méér dan schone kunstjes”! Bij herlezing merk ik hoe ik almaar opnieuw door de beelden, de soms licht vervreemdende zinsconstructies en gedachtekronkels beet wordt genomen. In die 86 bladzijden lang aangehouden weelde “bij de vleet aan de vliet” is het goed toeven.

Meekers geeft met zijn havenbundel een in onze Vlaamse nabije geschiedenis wortelende, concrete brok realiteit weer, maar spreekt zich als lichtzoeker in eenzelfde gebaar ook uit over de binnen- of zielenkant van de dingen. Ik citeer hier tot slot enkele zinnen van een zich over psalmregels buigende Willem Barnard die ook iets vertellen over het werk van de ons voor-lichtende dichter: “Alleen poëzie is bij benadering is staat de realiteit recht te doen. Bij benadering, want de realiteit laat zich niet betrappen. In die benadering schuilt de bescheidenheid én de efficiency van de poëzie. En de realiteit is even geheimzinnig en even onverbiddelijk als een piramide. Er zijn toegangen tot de schatkamers maar het vergt behoedzaamheid en men waagt zich buiten het domein van het daglicht.”

Van onderwereld naar bovenwereld, “ons / rijk is niet van deze wereld”. Christus vloeit samen met de volgens onze bronnen niet echt religieuze Van Mieghem: “jij bent meer dan een god: mens, / ook jij zag graag, tekende met liefde.”

Via die prachtige, voor het eerst vrijgegeven tekeningen beleef je als lezer poëzie met een plastisch toetje.” (…)

Dirk Blockeel (in: “Versneden verzen”, Ambrozijn, driemaandelijks artistiek tijdschrift, jg. 24, nr. 4, 2006-2007, p. 39-42)


*

Het is riskant om je als dichter te beperken tot een biografie over de schilder of je uitsluitend te baseren op diens werk. Vooral als dat laatste door een duidelijke en intens emotionele stijl vaak weinig ruimte laat voor interpretatie. Wil je er niets aan toe kunnen voegen, dan zul je – zeker als je zoals Meekers beoogt toegankelijk en begrijpelijk te schrijven- over een originele blik en een grote voorraad verrassende associaties moeten beschikken (…)

Het is onbegrijpelijk dat Meekers de hele bundel lang krampachtig vasthoudt aan een afstandelijke, beschrijvende derde persoon. Nergens brengt hij de afgebeelde personen tot leven door hen bijvoorbeeld te laten spreken of hen toe te spreken. Nergens weet hij de maatschappelijke relevantie van het werk van Van Mieghem voor het voetlicht te brengen. Nergens legt hij een verband met het heden. Nergens zien we de dichter zelf: hij toont geen enkele emotie, geen enkele associatie (…) Ter compensatie van dit gebrek aan bevlogenheid lardeert Meekers zijn verzen met irritante ornamenten, gezochte alliteraties en woordspelingen… Orpheus in de haven is behalve een boek met poëzie en beeldende kunst, vooral een boek vol gemiste kansen.”

B.Vlierhuis (in: Meander, internettijdschrift, april 2007)


*

- “Ik heb me vorige week ook serieus geërgerd. Ik kwam toevallig op Meander terecht, rubriek met recensies van dichtbundels. En wat lees ik daar: 'Orpheus in de haven: Vooral een boek van de gemiste kansen', recensie van ene Bouke Vlierhuis. Lees verder, stond er, en dat heb ik gedaan. Wat schrijft die man: Meekers slaat de plank mis! Ter compensatie van het gebrek aan bevlogenheid gebruikt hij irritante ornamenten, gezochte alliteraties en woordspelingen, enz. Ik heb eens gezocht of ik iets vond over die recensent. Behalve enkele gedichten in tijdschriften en 25 (!) recensies heeft die man nog niets gepresteerd. Maar hij weet het wel beter dan een doorgewinterd dichter. Begrijpt helemaal niets van de Vlaamse ziel. Ik had een hele slechte dag toen ik die recensie las. Het gebeurt steeds vaker dat piepjonge dichters denken dat ze het veel beter weten en beter kunnen dan hun voorgangers.
'Orpheus in de haven ' is een prachtbundel. Ik heb hem altijd in handbereik. Dit wou ik toch even kwijt.”

Christina Guirlande (in: mail van 22/05/2007)


*

- “… Voor Meekers primeert de inhoud en komt het erop aan de meest geschikte vorm te kiezen om deze tot uitdrukking te brengen. Hij lukt daar wonderwel in. Als geen kijkt hij achter de grafieklijnen, voelt hij aan wat de schilder en zijn werk beroert (…) De wat afstandelijke kijk is de enig juiste om de (over-)gevoelige empathie met de protagonist in goede banen te leiden. In de schitterende beelden, originele belichting en visie trilt het leven. Meekers is een meester in het sensibel verwoorden van de fijnste sentimenten en zielenroerselen. Je krijgt er koude rillingen van zoals in het gedicht “Waaraf en waaraan”. In een afwisseling van recht-voor-de-raapse volkse taal en geraffineerde suggestie roept hij deernis op met de verschopten van de maatschappij. Hij zet de outlaws, de misdeelden met gedurfde toetsen ironie op poten. Ik las de laatste jaren weinig verzen met zulk een diepgang en zo’n sociaal engagement. Niet verwonderlijk van een auteur die bekroond werd met de Masereel-prijs (…) Dit is “haute schriftuur”, sober, passend, op de juiste maat gesneden poëzie, zonder grote uithalen, vulgariteit of autistisch taalgerommel. De schilderijen krijgen een opknapbeurt, het vergeelde Antwerpen leeft in zijn gedichten weer op, de haven en zijn arbeiders staan te glanzen. We kijken in de intimiteit van de schilder met een reeks pregnante liefdesverzen voor Augustine en berusten met hem mee in het onvermijdelijke: een meeslepend literair avontuur!

(…) Wie zich niet in de figuur van Van Mieghem of in de problematiek kan vinden, kan zich tegoed doen aan de meesterlijke hantering van de taal, met schitterende vondsten. Een aanrader voor wie kennis wil maken met het voldragen, volwassen, lucide beeldgedicht, waar poëzie en beeld op gelijke voet met elkaar omgaan, waar het woord een meerwaarde betekent voor het artistieke werk.”

R. Van Tulden (in: Bladwijs, december 2006, p.3, ill.)


MARK MEEKERS: ORPHEUS IN DE HAVEN (5)


5. STAALKAART (GEDICHTEN)



AAN DE OEVER



een schilderachtig hoekje, net buiten

de wereld. een bank met de poten in de stilte

geplant. alles op zijn zondags: gezichten,

kleren en hoeden, waarop de westenwind


een grote pluim steekt. met een elleboog

op de horizon geleund, zicht op de rivier,

laten ze de blik meevaren met de spiegel-

gevechten van water en zwaarlijvige wolken.


de stad heeft zich teruggetrokken in over-

vloedig grijs. lucht met de kleur van een

koffiekoek om aan te likken. een spele-

meiend zeil. golfjes lispelen larmoyante


litanieën tegen het staketsel: even de Hof

van Eden waarin voorvaderlijk Antwerps

wordt gesproken tot de veerboot met felle

stoomstoot de laatste geeuw aanvult.





DAKLOZEN



kleine misérables, havelozen in de haven.

de blinde die het licht uit het oog verloor,

de manke slodderjas met één voetafdruk,

maken hun bedelgeld vloeibaar in de kroeg.


een vagebond aan de grond. in zijn tas

de harde korsten van de honger. een vogel-

verschrikker geleid door ’n stok, gesneden

uit de tak waaraan een voorganger zich


heeft opgehangen. soms trekt een harmonica

de harten open, delen ze bockbier en mening.

eerder tonen ze andere zwerfhonden hun

hoektanden. ze kijken zich in het zweet,


worden oud op de straatstenen, wonen in

een hemelbed tot ze stijfgevroren worden

bevonden. wind zet de bezem tegen zwerf-

vuil. nog wapperen hun haren er tegenin.




DOKSCHUIMERTJES




weggelopen uit een van die moeder-met-kind-

schetsen. doordrenkt van oorlogsmelk, plots

uit de babybeenderen gewassen. dit heilig

kind vloekt nog voor het een onzevader kent.


een stamboom van een straathond, groot-

gebracht met schoppen onder. zij botsen

tegen zijn potlood op, komen uit de verf,

zijn niet vast te pinnen. alle havenratten


springen in hen op. gesignaleerd: boefjes,

3 klakken waartussen het klikt. ze stelen

niet alleen met de ogen, rollen peuken tot

sigaretten, dampen als steamers, schooien


kletsjesbier voor hun melkkannen, blazen

de kaken bol als uitgestalde boezems. in-

gerekend in de oude collectie Van den Bosch,

trekken ze het damasten behang van de muren.




EMIGRANTEN



have en goed bijeengescharreld, zelfs hun

schaduw ingepakt. niets laten ze achter,

geen kruimel, geen verleden. de kraag hoog

opgezet tegen de oude wereld waaruit ze


met gewijde kaarsen en heilige verontwaar-

diging verdreven zijn. de toekomst in een

laken geknoopt, hoop onder de hoed. oud-

testamentische baarden en een ratjetoe van


talen die elkaar vinden in het woord New York.

koffers en koppen ontsmet (de Red Star Line

staat op haar ster en strepen). geen vlooi

mag het beloofde land in, enkel armeluizen.


op de loopbrug reikhalzen ze al naar Ellis

Island, waar ze hun schoenen met goud ver-

zolen, het vuil onder de nagels verzilveren,

licht met 7 wijdopen armen op hen wacht.




SAMEN



wij leven tussen asters en asteroïden, angst-

aanjagend gelukkig, kraken de trappen,

wandelen waar de wind ons duwt langs dijk

en dok, reilen en zeilen. de bries speelt


tikkertje met het kind. als het een lastpak

wordt, geven wij het de hoge witte

stoomboot mee, tonen de sterren die hun

kroonluchters ophangen, laten een lichtje


kiezen. onder mijn hand voltrekt zich het

wonder van verf en lijn die mens worden.

de spiegel kleedt ons uit. met enkel teder-

heid om het lijf begraaf ik mij in jou.


elke dag is hemelvaartsdag. wij spoelen

door elkanders aderen, oeverloos bijeen.

wij” is een toverwoord van twee letters,

valt één ervan weg, heeft niets nog zin.




WAARAF EN WAARAAN



hoe kwam ik in dit lichaam terecht? hoe

moet ik het weer verlaten? nu is het mijn

beurt, Augustine, om de ruimte achter de

ogen te betreden, de handen dun als papier.


ze beven. niet uit angst voor het duister,

maar voor het pad erheen. een lijdensweg.

ademen wordt water scheppen met een zeef.

tot aan de laatste druppel. het eindigt in


iets als een lichtvlek. het is er, maar er

valt geen hand op te leggen. in dat licht

zal ik je zien, zal je mij herkennen: wij

zijn altijd naar elkander blijven smaken.


ik streel je niet met vingers of blik, want

ook deze laatste grens, dit gewicht - al is

het een ons -, is voor ons teveel. verloren ze

niet van hun pluimen noemde ik ons: engelen.




CHRISTUS ONDER HET KRUIS



ik, die net nog met jonge keel riep: ni

dieu ni maître, schilder lichtvlekken als

lokaas voor engelen. mijn krijtstrepen krui-

sen elkaar, striemen. sanguine op papier.


ook jij hebt iets van een zwerver. ons

rijk is niet van deze wereld. jij verbindt

hemel en aarde, ik oog en ziel. wij werden

geschonden, de huid vol gescholden, kleren


van het lijf gestroopt, vel over de oren

getrokken. wij droegen ons kruis: jij op

je open schouders, ik in mijn bloedende

longen. smart is de olie voor elk innerlijk


licht. ben je god? god is zwaarder om

tillen dan een zak steenkool. het is jezelf

opheffen. jij bent meer dan een god: mens.

ook jij zag graag, tekende met liefde.



MARK MEEKERS: ORPHEUS IN DE HAVEN (4)

4. VOORSTELLING


A.
VERLOOP

B. MEDEWERKERS
ERWIN JO
OS, FINITA JANSSENS, HERMAN VAN PUYENBROECK


A. VERLOOP

De dichter brengt in zijn zestiende bundel hulde aan Eugeen Van Mieghem, schilder van het volk.Als beeldend kunstenaar (en stichter van de internationale groepen Lumen Numen en Fusion) leest hij met een schildersoog het werk van zijn collega, en tracht het als “meest bekroonde Nederlandstalige dichter” in 36 gedichten te vangen. Deze schitterende uitgave is rijkelijk geïllustreerd met pas ontdekte tekeningen uit een Nederlandse collectie.

De bundel werd in première voorgesteld in het Seaport Museum (New York) en nadien in het Eugeen Van Mieghem Museum (Antwerpen). De twee poëtische septemberwandelingen op het Eilandje, waar Van Mieghem leefde, met zicht op de Red Starline, waren eveneens een succes.


UITNODIGING

Het EUGEEN VAN MIEGHEM MUSEUM Scheldebuilding, Beatrijslaan 8
B- 2050 Antwerpen (Linkeroever) zijn deuren op

DONDERDAG 15 JUNI 2006 OM UUR

voor de nieuwe bundel van


MARK MEEKERS

ORPHEUS IN DE HAVEN

gedichten bij leven en werk van kunstschilder Eugeen Van Mieghem

(1875-1930)


PROGRAMMA

ERWIN JOOS (conservator, voorzitter van de Eugeen Van Mieghem Stichting) leidt de bundel in
GERDA DE PRETER
(auteur) bekijkt de bundel met literair vergrootglas
FINITA JANSSENS
(voordrachtkunstenares, Kunstacademie Maasmechelen) geeft de gedichten stem
HERMAN VAN PUYENBROECK
(Nationaal Orkest) evoceert fijne sferen op de cello
EUGEEN VAN MIEGHEM
kijkt vanuit de museumlijsten toe

RECEPTIE


B. MEDEWERKERS

ERWIN JOOS

Werd op 25 augustus 1954 in Antwerpen geboren. Hij deed zijn humaniorastudies aan het Sint-Jan Berchmanscollege in Antwerpen. Hij werd licentiaat Toegepaste Economische Wetenschappen en behaalde het postgraduaat Financiewezen (Katholieke Universiteit van Leuven). Hij is de oprichter en de voorzitter van de Eugeen Van Mieghem Stichting.
Hij is consultant vermogensbeheer en conservator van het Eugeen Van Mieghem Museum.

Hij publiceerde dertien themabundels over de kunstenaar. Hij is de auteur van het eerste (1993) en het tweede (1996) kunstboek “Een Kunstenaar van het Volk”.
Hij organiseerde talrijke succesvolle retrospectieve tentoonstellingen.
In New York liep tot 29 oktober de tentoonstelling
“Antwerp = America” rond Eugeen Van Mieghem en de emigranten van de RSL. Ze trok meer dan 200.000 bezoekers.
Waarschijnlijk in 2008/2009 volgt in Canada de expositie
“Portraits of women.” “Portraits de femmes” loopt tot 21 januari 2007 in het Institut néerlandais in Parijs.
In het Rembrandthuis in Amsterdam volgt van 2 juni tot 28 augustus 2007 de tentoonstelling
“Rembrandt en Van Mieghem”.
En, last but bot least, de tentoonstelling “Met één voet in Amerika” in het Van Mieghemmuseum zelf, werd verlengd en kunt u nog gaan bezoeken tot 28 januari 2007.

Erwin Joos, Eugeen Van Mieghem 1875-1930, Een kunstenaar van het volk, Drukkerij de Brauwere NV, Wilrijk België, uitgave Van Mieghem Museum, Antwerpen 2001, 304 p., 853 illustraties. D/2001/6717/04 en ISBN 90-801497-5-6

*

FINITA JANSSENS

Behaalde haar Eerste prijs voordracht aan het Koninklijk Conservatorium te Antwerpen. Sedert 1970 is zij tot op heden docente in de afdeling Woord verbonden aan de Kunstacademie in de provincie Limburg. Ze is docente Literaire creatie aan de Gemeentelijke Muziekacademie Maasmechelen.
Ze werkte in verschillende academies en als performer van tentoonstellingen, o.m. rond de moderne kunstperiode 1895-1990, waarvoor zij een essayistische catalogus schreef:
"Perestroik' art- Polyloog". (“Perestroik'art polylogue, Projet d'art peinture russe contemporain (1985-1990). Ze behaalde aan de Universitaire Instelling Antwerpen (UIA) het postuniversitair getuigschrift voor de scriptie "Vrouw en kunst" in het kader van de opleiding "Vrouw en Samenleving". Via een Erasmusbeurs volgde zij nadien aan de Rijksuniversiteit te Utrecht de cursus "Een nieuwe visie feministische filmtheorie".
Ze regisseerde in samenwerking met professionele podiumartiesten, leerlingen en oud-leerlingen diverse poëzie-avonden onder de naam
"Telepoëtica": Een nieuwe lente, een nieuw geluid, het totaalspektakel: “Paul Van Ostaijen en het expressionisme”, “Persona Pessoa”. Ze creëerde een gedramatiseerde "Mascarada" in barokstijl en een artistieke act in relatie met poëzie en architectuur: "Dûr, dûr, d'être Fafa".
Ze werkte een workshop "literaire creatie" uit met mentaal gehandicapte volwassenen. Sedert enkele jaren is ze lid van het VOM (Vrouwenoverleg Maasmechelen) en organiseerde met deze vereniging voor het najaar 2002 een tentoonstellingsproject rond
"Beelden van vrouwelijkheid" : Eva, Venus, Alma, Madonna... Samen met de fluitist Leta Sohder vertolkte ze reeds op briljante wijze de gedichten uit Mark Meekers’ bundel “Paradijskoorts” (2002).

*

HERMAN VAN PUYENBROECK

Was succesvol bassist in de Opera van Antwerpen en in het Nationaal Orkest van België. Zijn grote liefde is echter zijn antieke cello waarmee hij zijn romantische ziel uitleeft.

*

GERDA DE PRETER

Gerda De Preter (° Heist-op-den-Berg, 1958) studeerde Germaanse filologie aan de KU Leuven en is lerares Nederlands en Engels. Ze is lid van het Vlaams-Brabantse dichterscollectief Mengmettaal en schrijft gedichten voor volwassenen. Ze debuteerde in 1999 bij Querido als kinderboekenschrijfster met “De Schommel” . In haar poëzie neemt de symboliek van het woord en de taal een opvallende plaats in. De schommel is een subtiel en suggestief verhaal over kindermishandeling. De stijl is sober en eenvoudig, maar tegelijk beheerst en gevoelig.

In “Een Koffertje voor Opa” (Querido 2001) zit er heel wat poëzie en ontroering. Het boekje viel meteen op door een verfrissende en tegelijk zeer overwogen taal en stijl.Het is een verhaal over het verlies van een opa. De scène waarin Arne niet-begrijpend en verontwaardigd opa's koffer pakt voor de lang aangekondigde reis naar de zon is overtuigend en pakkend uitgewerkt. In 2005 verscheen “Spookpijn”.

In 2003 durfde zij het aan om bij Uitgeverij -P haar eerste bundelpoëzie te publiceren, gesterkt door een palmares van bekroningen bij poëziewedstrijden en als jeugdschrijfster. Haar gedichten werden bekroond in tal van poëziewedstrijden (Keerbergen, Hulshout, Hasselt, Tongeren, Genk, Ieper, Leuven, Amsterdam).
Haar gedichten en kortverhalen verschenen in diverse tijdschriften o.a. Letters, Wel, Deus ex machina, Appel. Ze werden opgenomen in meerdere verzamelbundels.

Een talent als dat van Gerda De Preter mocht niet verborgen blijven. Zij bewandelt in haar poëzie de moeilijke tussenweg tussen verhaal en verdichting. Dat maakt haar werk zo boeiend. Toch lezen haar gedichten niet al te vlot. Je moet ze vaak herlezen zo worden het kleine drama’s, die je allengs meer aangrijpen. Het hoofdthema van haar poëzie is het verlies en het bestrijden van dit verlies met de taal. Ook de schrijversact zelf, de menselijke relaties en de beeldende kunst zijn geregeld terugkerende onderwerpen. Zo liggen thema’s als (Orpheus en) Eurydice, de Schreeuw van Edvard Munch, à la recherche du temps perdu, herfst en winter, requiem en uitvaart in de bundel verankerd.