5. STAALKAART (GEDICHTEN)
AAN DE OEVER
een schilderachtig hoekje, net buiten
de wereld. een bank met de poten in de stilte
geplant. alles op zijn zondags: gezichten,
kleren en hoeden, waarop de westenwind
een grote pluim steekt. met een elleboog
op de horizon geleund, zicht op de rivier,
laten ze de blik meevaren met de spiegel-
gevechten van water en zwaarlijvige wolken.
de stad heeft zich teruggetrokken in over-
vloedig grijs. lucht met de kleur van een
koffiekoek om aan te likken. een spele-
meiend zeil. golfjes lispelen larmoyante
litanieën tegen het staketsel: even de Hof
van Eden waarin voorvaderlijk Antwerps
wordt gesproken tot de veerboot met felle
stoomstoot de laatste geeuw aanvult.
DAKLOZEN
kleine misérables, havelozen in de haven.
de blinde die het licht uit het oog verloor,
de manke slodderjas met één voetafdruk,
maken hun bedelgeld vloeibaar in de kroeg.
een vagebond aan de grond. in zijn tas
de harde korsten van de honger. een vogel-
verschrikker geleid door ’n stok, gesneden
uit de tak waaraan een voorganger zich
heeft opgehangen. soms trekt een harmonica
de harten open, delen ze bockbier en mening.
eerder tonen ze andere zwerfhonden hun
hoektanden. ze kijken zich in het zweet,
worden oud op de straatstenen, wonen in
een hemelbed tot ze stijfgevroren worden
bevonden. wind zet de bezem tegen zwerf-
vuil. nog wapperen hun haren er tegenin.
DOKSCHUIMERTJES
weggelopen uit een van die moeder-met-kind-
schetsen. doordrenkt van oorlogsmelk, plots
uit de babybeenderen gewassen. dit heilig
kind vloekt nog voor het een onzevader kent.
een stamboom van een straathond, groot-
gebracht met schoppen onder. zij botsen
tegen zijn potlood op, komen uit de verf,
zijn niet vast te pinnen. alle havenratten
springen in hen op. gesignaleerd: boefjes,
3 klakken waartussen het klikt. ze stelen
niet alleen met de ogen, rollen peuken tot
sigaretten, dampen als steamers, schooien
kletsjesbier voor hun melkkannen, blazen
de kaken bol als uitgestalde boezems. in-
gerekend in de oude collectie Van den Bosch,
trekken ze het damasten behang van de muren.
EMIGRANTEN
have en goed bijeengescharreld, zelfs hun
schaduw ingepakt. niets laten ze achter,
geen kruimel, geen verleden. de kraag hoog
opgezet tegen de oude wereld waaruit ze
met gewijde kaarsen en heilige verontwaar-
diging verdreven zijn. de toekomst in een
laken geknoopt, hoop onder de hoed. oud-
testamentische baarden en een ratjetoe van
talen die elkaar vinden in het woord New York.
koffers en koppen ontsmet (de Red Star Line
staat op haar ster en strepen). geen vlooi
mag het beloofde land in, enkel armeluizen.
op de loopbrug reikhalzen ze al naar Ellis
Island, waar ze hun schoenen met goud ver-
zolen, het vuil onder de nagels verzilveren,
licht met 7 wijdopen armen op hen wacht.
SAMEN
wij leven tussen asters en asteroïden, angst-
aanjagend gelukkig, kraken de trappen,
wandelen waar de wind ons duwt langs dijk
en dok, reilen en zeilen. de bries speelt
tikkertje met het kind. als het een lastpak
wordt, geven wij het de hoge witte
stoomboot mee, tonen de sterren die hun
kroonluchters ophangen, laten een lichtje
kiezen. onder mijn hand voltrekt zich het
wonder van verf en lijn die mens worden.
de spiegel kleedt ons uit. met enkel teder-
heid om het lijf begraaf ik mij in jou.
elke dag is hemelvaartsdag. wij spoelen
door elkanders aderen, oeverloos bijeen.
“wij” is een toverwoord van twee letters,
valt één ervan weg, heeft niets nog zin.
WAARAF EN WAARAAN
hoe kwam ik in dit lichaam terecht? hoe
moet ik het weer verlaten? nu is het mijn
beurt, Augustine, om de ruimte achter de
ogen te betreden, de handen dun als papier.
ze beven. niet uit angst voor het duister,
maar voor het pad erheen. een lijdensweg.
ademen wordt water scheppen met een zeef.
tot aan de laatste druppel. het eindigt in
iets als een lichtvlek. het is er, maar er
valt geen hand op te leggen. in dat licht
zal ik je zien, zal je mij herkennen: wij
zijn altijd naar elkander blijven smaken.
ik streel je niet met vingers of blik, want
ook deze laatste grens, dit gewicht - al is
het een ons -, is voor ons teveel. verloren ze
niet van hun pluimen noemde ik ons: engelen.
CHRISTUS ONDER HET KRUIS
ik, die net nog met jonge keel riep: ni
dieu ni maître, schilder lichtvlekken als
lokaas voor engelen. mijn krijtstrepen krui-
sen elkaar, striemen. sanguine op papier.
ook jij hebt iets van een zwerver. ons
rijk is niet van deze wereld. jij verbindt
hemel en aarde, ik oog en ziel. wij werden
geschonden, de huid vol gescholden, kleren
van het lijf gestroopt, vel over de oren
getrokken. wij droegen ons kruis: jij op
je open schouders, ik in mijn bloedende
longen. smart is de olie voor elk innerlijk
licht. ben je god? god is zwaarder om
tillen dan een zak steenkool. het is jezelf
opheffen. jij bent meer dan een god: mens.
ook jij zag graag, tekende met liefde.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten