dinsdag 27 mei 2008

MARK MEEKERS: ORPHEUS IN DE HAVEN (5)


5. STAALKAART (GEDICHTEN)



AAN DE OEVER



een schilderachtig hoekje, net buiten

de wereld. een bank met de poten in de stilte

geplant. alles op zijn zondags: gezichten,

kleren en hoeden, waarop de westenwind


een grote pluim steekt. met een elleboog

op de horizon geleund, zicht op de rivier,

laten ze de blik meevaren met de spiegel-

gevechten van water en zwaarlijvige wolken.


de stad heeft zich teruggetrokken in over-

vloedig grijs. lucht met de kleur van een

koffiekoek om aan te likken. een spele-

meiend zeil. golfjes lispelen larmoyante


litanieën tegen het staketsel: even de Hof

van Eden waarin voorvaderlijk Antwerps

wordt gesproken tot de veerboot met felle

stoomstoot de laatste geeuw aanvult.





DAKLOZEN



kleine misérables, havelozen in de haven.

de blinde die het licht uit het oog verloor,

de manke slodderjas met één voetafdruk,

maken hun bedelgeld vloeibaar in de kroeg.


een vagebond aan de grond. in zijn tas

de harde korsten van de honger. een vogel-

verschrikker geleid door ’n stok, gesneden

uit de tak waaraan een voorganger zich


heeft opgehangen. soms trekt een harmonica

de harten open, delen ze bockbier en mening.

eerder tonen ze andere zwerfhonden hun

hoektanden. ze kijken zich in het zweet,


worden oud op de straatstenen, wonen in

een hemelbed tot ze stijfgevroren worden

bevonden. wind zet de bezem tegen zwerf-

vuil. nog wapperen hun haren er tegenin.




DOKSCHUIMERTJES




weggelopen uit een van die moeder-met-kind-

schetsen. doordrenkt van oorlogsmelk, plots

uit de babybeenderen gewassen. dit heilig

kind vloekt nog voor het een onzevader kent.


een stamboom van een straathond, groot-

gebracht met schoppen onder. zij botsen

tegen zijn potlood op, komen uit de verf,

zijn niet vast te pinnen. alle havenratten


springen in hen op. gesignaleerd: boefjes,

3 klakken waartussen het klikt. ze stelen

niet alleen met de ogen, rollen peuken tot

sigaretten, dampen als steamers, schooien


kletsjesbier voor hun melkkannen, blazen

de kaken bol als uitgestalde boezems. in-

gerekend in de oude collectie Van den Bosch,

trekken ze het damasten behang van de muren.




EMIGRANTEN



have en goed bijeengescharreld, zelfs hun

schaduw ingepakt. niets laten ze achter,

geen kruimel, geen verleden. de kraag hoog

opgezet tegen de oude wereld waaruit ze


met gewijde kaarsen en heilige verontwaar-

diging verdreven zijn. de toekomst in een

laken geknoopt, hoop onder de hoed. oud-

testamentische baarden en een ratjetoe van


talen die elkaar vinden in het woord New York.

koffers en koppen ontsmet (de Red Star Line

staat op haar ster en strepen). geen vlooi

mag het beloofde land in, enkel armeluizen.


op de loopbrug reikhalzen ze al naar Ellis

Island, waar ze hun schoenen met goud ver-

zolen, het vuil onder de nagels verzilveren,

licht met 7 wijdopen armen op hen wacht.




SAMEN



wij leven tussen asters en asteroïden, angst-

aanjagend gelukkig, kraken de trappen,

wandelen waar de wind ons duwt langs dijk

en dok, reilen en zeilen. de bries speelt


tikkertje met het kind. als het een lastpak

wordt, geven wij het de hoge witte

stoomboot mee, tonen de sterren die hun

kroonluchters ophangen, laten een lichtje


kiezen. onder mijn hand voltrekt zich het

wonder van verf en lijn die mens worden.

de spiegel kleedt ons uit. met enkel teder-

heid om het lijf begraaf ik mij in jou.


elke dag is hemelvaartsdag. wij spoelen

door elkanders aderen, oeverloos bijeen.

wij” is een toverwoord van twee letters,

valt één ervan weg, heeft niets nog zin.




WAARAF EN WAARAAN



hoe kwam ik in dit lichaam terecht? hoe

moet ik het weer verlaten? nu is het mijn

beurt, Augustine, om de ruimte achter de

ogen te betreden, de handen dun als papier.


ze beven. niet uit angst voor het duister,

maar voor het pad erheen. een lijdensweg.

ademen wordt water scheppen met een zeef.

tot aan de laatste druppel. het eindigt in


iets als een lichtvlek. het is er, maar er

valt geen hand op te leggen. in dat licht

zal ik je zien, zal je mij herkennen: wij

zijn altijd naar elkander blijven smaken.


ik streel je niet met vingers of blik, want

ook deze laatste grens, dit gewicht - al is

het een ons -, is voor ons teveel. verloren ze

niet van hun pluimen noemde ik ons: engelen.




CHRISTUS ONDER HET KRUIS



ik, die net nog met jonge keel riep: ni

dieu ni maître, schilder lichtvlekken als

lokaas voor engelen. mijn krijtstrepen krui-

sen elkaar, striemen. sanguine op papier.


ook jij hebt iets van een zwerver. ons

rijk is niet van deze wereld. jij verbindt

hemel en aarde, ik oog en ziel. wij werden

geschonden, de huid vol gescholden, kleren


van het lijf gestroopt, vel over de oren

getrokken. wij droegen ons kruis: jij op

je open schouders, ik in mijn bloedende

longen. smart is de olie voor elk innerlijk


licht. ben je god? god is zwaarder om

tillen dan een zak steenkool. het is jezelf

opheffen. jij bent meer dan een god: mens.

ook jij zag graag, tekende met liefde.



Geen opmerkingen: