dinsdag 27 mei 2008

MARK MEEKERS: ORPHEUS IN DE HAVEN (3)

3. INTRODUCTIETEKST


NI DIEU, NI MAITRE
Poëzie als maîtresse van het anarchisme


Kunst is een liefdesverklaring die je totaal engageert,’ zegt Mark Meekers. Met deze woorden treedt hij in de voetsporen van Orpheus, de mythische dichter en zanger die de ultieme queeste naar de onderwereld ondernam om zijn geliefde Eurydice uit de dood terug te halen.

In zijn bundel ‘Orpheus in de haven’ dompelt Mark Meekers zich onder in de grauwe wereld van het Antwerpse havenvolk die Van Mieghem evoceert in zijn werk. Het is een wereld van buildragers, zakkenmaaksters, emigranten, schippers en zwervers, de onderkant van de maatschappij, een wereld die Van Mieghem door en door kende. De schilder werd geboren in het hartje van de oude haven van Antwerpen en werd in zijn jeugdjaren geconfronteerd met het harde leven aan de waterkant. Het duurde niet lang voor hij kennis maakte met de ideeën van het anarchisme. In hem groeide een idealisme dat hij nooit zou verloochenen. Hij zou de kunstenaar worden van het typische havenvolk.

De wereld die Van Mieghem evoceert, is Meekers niet vreemd. Ook hij kende de wereld van de kleine man, de haveloze, de verworpene. Mark Meekers bracht zijn jeugd door in het Antwerpse Sint-Andrieskwartier, ‘de parochie van de miserie’. Meekers deelt zijn sympathie voor de underdog met Van Mieghem. Het sociale onrecht in een klassenmaatschappij laat hem evenmin onberoerd. Meekers tekent onder andere de straatboefjes met duidelijke sympathie voor hun rebellie tegen de gevestigde orde, wanneer ze schaamteloos ‘het damasten behang van de muren trekken’. Zijn mededogen voor de verschoppelingen van de maatschappij is nooit neerbuigend, maar vol bewondering voor hun veerkracht en levensdrift.

Het zijn de kleine misérables die Meekers door de onderwereld gidsen. Dit staat haaks op de soortgelijke tocht die Dante naar het Inferno ondernam in zijn Goddelijke Komedie. Dantes gids was Vergilius, een gerenommeerd klassiek dichter die gezag uitstraalde. Meekers verwerpt het gezag, gaat scheep met de underdog op zijn ultieme zoektocht naar het licht. Gevestigde waarden worden in vraag gesteld en doorprikt. Van Mieghem deed hetzelfde. De straat was zijn atelier. Het zootje verschoppelingen blijken uitstekende gidsen te zijn in een wereld die voor beide kunstenaars een aantal bevreemdende en tegelijke herkenbare spanningsvelden oproepen: het spel van licht en duister, stilstand en beweging, de haveloosheid van het lichaam en de grandeur van de ziel. Het decor is de haven, een plek van vertrek en aankomst, van dromen en uitzichtloosheid. Elke tocht wordt gestuurd door een verlangen om thuis te komen. Het schuren van de tijd klinkt er tegelijk beloftevoller en uitzichtlozer dan elders. Deze voortdurende tweespalt appelleert aan de ziel van de kunstenaar. In het besef dat hij niet kan vastleggen of begrenzen, wil hij de werkelijkheid en wat daarbuiten valt bij het nekvel pakken en loslaten in hoorbare en zichtbare beelden, die autonoom bewegen op doek of papier. Het credo van Meekers en Van Mieghem is niet bewaren, maar blijven, onuitwisbaar zijn. Het openingsgedicht in de bundel zet de toon:


Uit de verf (fragment, p. 9)

hij kent niet de angst voor wit papier,
tekent zoals hij ademt, hevig authentiek,
geen dode perfectie maar naar het leven,
het onaffe. hij treft raak, recht in het hart,


loopt tegen het lijf, neemt nota, stoot
zich aan, maar ontmoet niet, grist uit het
leven, snel zoals men een dagpauwoog
vangt, een zwerfkat bij het nekvel pakt.


Meekers bekent meteen kleur. De kunstenaar is een dief. Schaamteloos besteelt hij het leven in zijn queeste naar het licht. Wat hij over Van Mieghem schrijft, geldt net zo goed voor hemzelf. De dichters- hand legt zich zonder schroom op de hand van de schilder. Samen schrijven, herschrijven zij de werkelijkheid met vingers van licht. De dichter treedt aldus op als alter ego van de schilder, ze onder- nemen eenzelfde queeste, die zich ontvouwt op dezelfde sporen:
de persoonlijke levensweg van het individu
de zoektocht naar het ultieme kunstwerk (gedicht of schilderij)
de weg van het maatschappelijk engagement van de kunstenaar
de existentiële queeste van de scheppende mens

De gedichten zijn chronologisch geschikt in de bundel. Ze volgen Van Mieghem in zijn artistieke ontplooiing als kunstenaar en zijn passionele overgave aan de liefde, zijn ontreddering en eenzaamheid wanneer zijn vrouw Augustine sterft en een tweede huwelijk op de klippen loopt, vervolgens de moeizame klim naar het licht. De persoonlijke verontwaardiging van schilder en dichter over het maatschappelijk onrecht weerspiegelt zich in een somber beeld van achterbuurten, existentiële ontreddering en angst. Het maakt het decor tot personage, wat zich uit in het opvallend gebruik van personificaties. Het sociaal engagement klinkt scherp door, zoals in het gedicht ‘Revolte’ (p.35):


Op straat eisen arbeiders een stem,
redeloze wezens, die bestaan uit handen,
schoften. de burgeroren doof. de politie-
kers spelen worm in het aarsgat van de

kapitalist. ook hij zoekt tevergeefs gehoor,
striemt het oog met de schoonheid van
kolenzak of vuist: slagen in het gezicht


De gedichten bij het werk van Van Mieghem overstijgen aldus het louter descriptieve. Het gaat niet om een tekst bij een plaatje, maar om het zichtbaar maken van een achterliggende wereld. ‘Poëzie opent deuren op het onzienbare’, zegt Mark Meekers. Meekers vertelt niet, maar toont en suggereert en nooit is dit vrijblijvend. Aan elk beeld kleeft een verhaal van menselijke kwetsbaarheid en verlangen waarvoor de lezer niet onverschillig blijft.

In het gedicht ‘Daklozen’ (p. 16) tekent hij de vagebond als:
een vogelverschrikker geleid door ’n stok, gesneden / uit de tak waaraan een voorganger zich / heeft opgehangen.’

En de kleine misérables portretteert hij met veel mededogen en respect voor hun veerkracht: ‘wind zet de bezem tegen zwerf- / vuil. nog wapperen hun haren er tegenin’.

Bijzondere aandacht is er voor de émigrés, zij die, in tegenstelling tot Orpheus, niet meer omkeken naar wat ze liefhadden, maar koppig de blik wendden naar de weg die voor hen openlag. Omkijken was voor hen ‘doodweg’ geen optie:


Op de loopbrug reikhalzen ze al naar Ellis
Island, waar ze hun schoenen met goud ver-
zolen, het vuil onder de nagels verzilveren,
licht met 7 wijdopen armen op hen wacht.
(uit het gedicht ‘Emigranten’, p. 19)


Toch krijgt de lezer nooit de indruk dat het gaat om een sociaal pamflet. In het gedicht ‘Klaarwakker’ (p.76) lezen we:
hij wil niemand een geweten schilderen,
maar iemand, een passagier in dezelfde
tijd moet de werkelijkheid uitsnijden, ver-
doeken

Net als Van Mieghem doet Meekers meer dan louter observeren of registreren. Kijken is lijden. Eros en Thanatos ontmoeten elkaar in de blik van de kunstenaar. In ‘Zelfportret (1925)’ (p. 55) gebruikt Meekers het beeld ‘ogen als duimspijkers onder de wenkbrauwen’ en in het gedicht ‘Kijk’ (p.52) zegt hij: ‘wij sterven met de ogen open’.
alles loopt af en leeg, de zee, de rivier, de ogen’ schrijft hij in het gedicht ‘Deficit’ (p. 61). ‘ik streel je niet met vingers of blik, want / ook deze laatste grens, dit gewicht – al is /
het een ons - , is voor ons teveel’
, waarschuwt hij in het gedicht ‘Waaraf en waaraan’ (p.69)

De Christussymboliek is niet veraf. De kunstenaar die revolteert tegen de strakke geplogenheden van de maatschappij en het aardse bestaan herkent in Christus een lotgenoot. (…)(zie het gedicht ‘Christus onder het kruis’, p.72)


Kunst is voor Meekers een daad van liefdevol verzet. Maar ook zij schiet tekort in het herstellen of het herwinnen van wat verloren was. ‘Wie alles bezit, kan alleen maar verliezen,’ zegt Meekers in het gedicht ‘Pose’.
Kunst dient bijgevolg niet om te bewaren van wat is, maar om het onuitwisbaar maken van het niet zienbare. De kunstenaar wil de vleugelslag der engelen hoorbaar maken. En daarin vindt Meekers een gelijkgestemde ziel in Van Mieghem.
Het penseel van de dichter is het woord. In taal en teken trekt Meekers de krijtlijnen voor zijn queeste. Daarbij hanteert hij een strakke vormgeving en kent hij een prominente plaats aan het beeld toe.


De gedichten zijn geschreven in kwatrijnen, een vorm waar Meekers een voorliefde voor heeft. Daarbinnen trekt een bonte stoet van beelden aan het oog van de lezer voorbij. Alle taalregisters worden opengetrokken in een virtuoos en meeslepend accordeonspel van klank en beeld. De lezer wordt vergast op een werveling van associatieve woordspelingen, inventieve taalvondsten en metaforen, die op verschillende niveaus functioneren en doorverwijzen. Een literaire analyse daarvan zou ons hier te ver voeren, maar één voorbeeld mag dit alvast illustreren: in het gedicht ‘Montevideostraat’ (p.11) slaagt Meekers er in om in drie versregels de volksvrouwen niet alleen te plaatsen in hun omgeving, maar ook te tekenen in hun sociale interactie en maatschappelijke kritiek, louter en alleen door het woord boord in verschillende contexten te plaatsen:

wijven uit wijk vijf ruilen
het schuim van de tobbe tegen dat op de
glazen, enige witte boord, die ze lusten.

Keer op keer wordt het woord uit zijn gewone context gelicht en opgetild naar het vlak van het imaginaire. Aan deze overrompelende beeldenkracht kan de lezer niet weerstaan.

Meekers zou Meekers echter niet zijn, wanneer hij niet meteen de blik en de impact van de kunstenaar relativeerde: zelfs Augustine gelooft zijn eigen ogen niet zegt hij met een knipoog in het gedicht ‘Augustine’ (p.22). Soortgelijke speldenprikken vinden we in de rest van de bundel. ‘hij tekent haar niet meer, wordt voortaan door haar getekend’, lezen we in het gedicht ‘Scheiding’ (p.50), wanneer hij spreekt over het tweede, mislukte huwelijk van Van Mieghem.


Opvallend in de beeldspraak zijn niet alleen de vele verwijzingen naar het kijken, de blik, de ogen, ja zelfs de blindheid, maar ook de ode aan het licht. ‘Een gat in de ziel geneest alleen met licht,’ zegt hij in het gedicht ‘Klaarwakker’ (p.76).

Elke rol is daarbij omwisselbaar. Het gedicht is een speelveld met wisselende hoofdspelers: kunstenaar en model / beeld en verbeelde / taal en teken / het zichtbare en het onzienbare.
In de ultieme zoektocht naar het licht vallen alle verschillen weg, voor elke deelnemer blijft het eenzelfde moeizame queeste. Op vormelijk vlak onderstreept de afwezigheid van hoofdletters op subtiele wijze deze gedachte.


Waar Orpheus met zijn magische muziek de poort naar de onderwereld opende en Van Mieghem de deur op een kier zette met zijn schilderkunst, wendt Mark Meekers zijn poëzie aan om de overtocht te maken naar wat achterligt.
Orpheus beging de fout van om te kijken. Daardoor verloor hij zijn geliefde voor altijd, overwon de dood het leven.

Met zijn gedichten blikt Meekers niet achterom, maar kijkt hij blindelings door de dingen heen. De dichter is een visionair. Met zijn eigenzinnig klankspel van licht en beeld maakt hij de werkelijkheid transparant, toont hij ons een glimp van het paradijs. Zijn poëzie geeft de lezer de gelegenheid om thuis te komen en weer te vertrekken met de ogen gericht op wat achter de einder ligt. Wat hij daar vindt, is niet met zekerheid te zeggen, maar het is licht en onuitwisbaar. Het blijft. Zoals in het magistrale gedicht ‘Waaraf en waaraan’ (p.69). (…)


Met ‘Orpheus in de haven’ meert Meekers aan in de verbeelding van de lezer. De dichter gooit het anker uit, legt de loopplank uit voor wie een blik wil werpen in het ruim, waar een kostbare lading verzen ligt te wachten op de hoogstbiedende, hij die met gretige handen en hongerige ogen leest.

Gerda De Preter (Antwerpen, 15 juni 2006)


Geen opmerkingen: