6. OP DE PUNT VAN DE PEN (RECENSIES)
- “…‘Orpheus in de haven’ is pure poëzie, want Mark Meekers schreef gedichten bij het leven en werk van kunstschilder Eugeen Van Mieghem. Van Mieghem tekende en schilderde de haven op poëtische wijze; Meekers zet de werken om in taal.
De bundel is een niet alleen waardevol om zijn inhoud; er zijn slechts 1.000 exemplaren van gedrukt en ze zijn stuk voor stuk met de hand genummerd. Een bibliofiele uitgave dus…” (Koen Cauwenberghs in: Den Brabo, Uw Antwerpse Weekkrant, 2006)
*
- “Mark Meekers is de Ensor van het woord, de Baudelaire van de poëtische gedachte. Voor Mark Meekers zijn poëzie en schilderkunst communicerende vaten. In de twee disciplines is er de meticuleuze aandacht voor kleur en lijn, beeld en compositie.
Wie de gelaagdheid van de menselijke ziel wil leren kennen, raad ik aan om de poëzie van deze dichter te lezen. Introspectie, oog voor het wezenlijke detail, scherpzinnige observatie van de maskerade van het dagelijkse leven, dat alles overgoten met een vleugje cynisme en broodnodig relativeringsvermogen vindt u in het werk van Meekers…” (Gerda de Preter / Tweebronnen, Leuven, 2006)
*
- “Het is bijna onvoorstelbaar hoe twee kunstenaars elkaar begrijpen. Nooit hebben ze, levend in een andere wereld en tijd, elkaar ontmoet, en toch sloeg de vonk over.” (G. Verhenne / Ambrozijn 2006)
*
PAPIEREN SPIEGELS – MEEKERS BETEKENT VAN MIEGHEM
- “(…) Mark Meekers bracht zijn jeugd door in het Antwerpse Sint-Andrieskwartier, ‘de parochie van de miserie’. Op onze ultieme zoektocht naar het licht (zo vertel ik het Gerda De Preter na) gaan we scheep met de underdog. In de onderwereld van de haven stellen we het licht niet onder de korenmaat; we geven onze ogen de kost!
Vooral de begingedichten, met de hij-figuur van de (later ook in de ik-vorm opgevoerde) tekenaar als onderwerp, zijn definiërend gedacht, stippelen het terrein uit. De eerste zin belijdt de scheppingsdrift van de tekenaar: “hij kent niet de angst voor wit papier, / tekent zoals hij ademt, hevig authentiek.” En in de derde zin gaat het er als volgt aan toe: “hij treft raak, recht in het hart, // loopt tegen het lijf, neemt nota, stoot / zich aan, maar ontmoet niet, grist uit het / leven, snel zoals men een dagpauwoog / vangt, een zwerfkat bij het nekvel pakt.” De opsomming met in een eerder gering woordenbestek zowaar acht behoorlijk actieve werkwoorden, getuigt goed van koortsachtige activiteit waar ook het stevige stafrijm (zie het vetgedrukte) aan meehelpt. (Ook ‘Vincent van Gogh’, het openingsgedicht van Meekers’ ‘Een schot in de zon’ (1990) heeft als derde zin een uit vijf werkwoorden bestaande opsomming.) De wending ‘stoot zich aan’ kan als vrije vorm van ‘hij neemt aanstoot aan’ of als mededeling met weggelaten vervolg (reticentie of verzwijging in de stijlleer; de lezer heeft er het raden naar, mag invullen) worden opgevat. Volgens die laatste optiek lezen we dan iets in de zin van bijvoorbeeld ‘hij stoot’ (lees voor mijn part ook ‘stoort’) zich aan het onbegrip van de academiedirecteur, aan de armoede van het havenkwartier.
Ook in deze bundel bots ik weer op de eigenheden van de dichter die al embryonaal in eerdere bundels aanwezig waren (“de schemering wint veld” lees ik in ‘Ongeneeslijk feest’, 1988). Veel voorkomend zijn figuurlijke wendingen waarbij de letterlijke betekenis onbeschaamd meezingt: “een vagebond aan de grond” heeft meestal geen sou op zak en houdt zich vaak bedelend op bank of dorpel op. Het Meekersspelletje wordt duidelijk in deze passage uit ‘Scheiding’, waar de moeilijkheden in het tweede huwelijk (het zal je maar overkomen: “de verleden tijd van echt genieten / was echtgenote”) aan bod komen: “hij tekent haar niet / meer, wordt voortaan door haar getekend.” Thuisgekomen van kantoor schiet een brave huisvader nog wel eens zijn sloffen aan, want hij hoeft nu enkele uurtjes niet meer op te schieten; “soldaten aan lompen geschoten” echter hebben het minder comfortabel.
“Hij doet het meesterlijk uit de doeken”, zeker, maar soms valt de scheiding tussen aan de ene kant vondst en aan de andere kant maniërisme moeilijk te trekken. (...) Vanzelfsprekend compenseert nogal wat taalvirtuositeit mijn restrictie. De “hoer die op prijs wordt gesteld” mag er zijn en de “blinde die het licht uit het oog verloor” is meer dan een aalmoes waard.
Bestaande uitdrukkingen gaan, licht vertekend, een ander, semantisch betekenisvoller, want gelaagder, leven gaan leiden. “Schepen gaan de mist in”, maar ook Van Mieghem is, net als de Schelde “mak, [en] moe van al dat spiegelen / en kaatsen” geworden: “nu wist hij ook de mensen, verliest haven // en goed,…”. Met het laatste citaat zijn we in de buurt van de zeugmafiguur à la ‘ik heb een hond en honger’ gekomen: ongelijke elementen worden door de ‘brug’ van een eender werkwoord met elkaar verbonden. In ‘Pose’ gaat Augustine uit de kleren: “korset, onderrok en schaamte stuk voor stuk / afgelegd.” Daklozen, “kleine misérables, havelozen in de haven” delen “bockbier en mening”.
Taalspelletjes leiden vaak tot mooie vondsten en sieren die passages waarin de erotiek met “de [welluidende, lief rinkelende] sleuteltjes van de opwinding” beleden wordt: “zij passen in elkanders / schoot als lepeltjes. voor geliefden is / het lijf hemellichaam. twee naakt geboren / ratten, dronken van elkaar.” En waarom laat de dichter in de volgende regel, “onder een vilten klokhoed, bim, bam, bonjour”, de klokken zo uitnodigend kleppen? Meekers weet waar de klepel van de associatie hangt en wekte de klok in klok-hoed tot beierend leven.
De gegeven citaten lieten het hier en daar al uitschijnen: nogal wat enjambementen zijn functioneel en/of zorgen voor een leesverrassing. Het licht op een naakt in potlood gezette Augustine “past als gegoten. knap / hoe het haar silhouet uitknipt, hoogglans o- / ver de borsten legt.” Deel uitmakend van het eenvoudige voorzetsel ‘over’ drukt de ‘o’ hier zowel de glans als het open mondje van de verwondering uit. (…)
Zoveel van wat ik al aanhaalde blijkt uit ‘Samen’. (…) Een “angst- / aanjagend gelukkig” leven “tussen asters en asteroïden” toont zowel iets dat in de buurt komt van het oxymoron (dergelijke ‘scherpe onzin’ puur je ook uit “oeverloos bijeen”, regel 14) als een associatieve tweelingconstructie die etymologisch naar ‘ster’ verwijst. Stafrijm en binnenrijm helpen de havensfeer tekenen in “dijk / en dok, reilen en zeilen”. Nog niet eerder vermeldde ik de hier en daar teder pinkelende, i-intieme verkleinwoorden: “tikkertje” en “lichtje’. Elders in de bundel kwam ik “glimlachje”, “kleedjes” en “de kleine lettertjes van het licht” tegen.
Besluit. “Zoveel méér dan schone kunstjes”! Bij herlezing merk ik hoe ik almaar opnieuw door de beelden, de soms licht vervreemdende zinsconstructies en gedachtekronkels beet wordt genomen. In die 86 bladzijden lang aangehouden weelde “bij de vleet aan de vliet” is het goed toeven.
Meekers geeft met zijn havenbundel een in onze Vlaamse nabije geschiedenis wortelende, concrete brok realiteit weer, maar spreekt zich als lichtzoeker in eenzelfde gebaar ook uit over de binnen- of zielenkant van de dingen. Ik citeer hier tot slot enkele zinnen van een zich over psalmregels buigende Willem Barnard die ook iets vertellen over het werk van de ons voor-lichtende dichter: “Alleen poëzie is bij benadering is staat de realiteit recht te doen. Bij benadering, want de realiteit laat zich niet betrappen. In die benadering schuilt de bescheidenheid én de efficiency van de poëzie. En de realiteit is even geheimzinnig en even onverbiddelijk als een piramide. Er zijn toegangen tot de schatkamers maar het vergt behoedzaamheid en men waagt zich buiten het domein van het daglicht.”
Van onderwereld naar bovenwereld, “ons / rijk is niet van deze wereld”. Christus vloeit samen met de volgens onze bronnen niet echt religieuze Van Mieghem: “jij bent meer dan een god: mens, / ook jij zag graag, tekende met liefde.”
Via die prachtige, voor het eerst vrijgegeven tekeningen beleef je als lezer poëzie met een plastisch toetje.” (…)
Dirk Blockeel (in: “Versneden verzen”, Ambrozijn, driemaandelijks artistiek tijdschrift, jg. 24, nr. 4, 2006-2007, p. 39-42)
*
“Het is riskant om je als dichter te beperken tot een biografie over de schilder of je uitsluitend te baseren op diens werk. Vooral als dat laatste door een duidelijke en intens emotionele stijl vaak weinig ruimte laat voor interpretatie. Wil je er niets aan toe kunnen voegen, dan zul je – zeker als je zoals Meekers beoogt toegankelijk en begrijpelijk te schrijven- over een originele blik en een grote voorraad verrassende associaties moeten beschikken (…)
Het is onbegrijpelijk dat Meekers de hele bundel lang krampachtig vasthoudt aan een afstandelijke, beschrijvende derde persoon. Nergens brengt hij de afgebeelde personen tot leven door hen bijvoorbeeld te laten spreken of hen toe te spreken. Nergens weet hij de maatschappelijke relevantie van het werk van Van Mieghem voor het voetlicht te brengen. Nergens legt hij een verband met het heden. Nergens zien we de dichter zelf: hij toont geen enkele emotie, geen enkele associatie (…) Ter compensatie van dit gebrek aan bevlogenheid lardeert Meekers zijn verzen met irritante ornamenten, gezochte alliteraties en woordspelingen… Orpheus in de haven is behalve een boek met poëzie en beeldende kunst, vooral een boek vol gemiste kansen.”
B.Vlierhuis (in: Meander, internettijdschrift, april 2007)
*
- “Ik heb me vorige week ook serieus geërgerd. Ik kwam toevallig op Meander terecht, rubriek met recensies van dichtbundels. En wat lees ik daar: 'Orpheus in de haven: Vooral een boek van de gemiste kansen', recensie van ene Bouke Vlierhuis. Lees verder, stond er, en dat heb ik gedaan. Wat schrijft die man: Meekers slaat de plank mis! Ter compensatie van het gebrek aan bevlogenheid gebruikt hij irritante ornamenten, gezochte alliteraties en woordspelingen, enz. Ik heb eens gezocht of ik iets vond over die recensent. Behalve enkele gedichten in tijdschriften en 25 (!) recensies heeft die man nog niets gepresteerd. Maar hij weet het wel beter dan een doorgewinterd dichter. Begrijpt helemaal niets van de Vlaamse ziel. Ik had een hele slechte dag toen ik die recensie las. Het gebeurt steeds vaker dat piepjonge dichters denken dat ze het veel beter weten en beter kunnen dan hun voorgangers.
'Orpheus in de haven ' is een prachtbundel. Ik heb hem altijd in handbereik. Dit wou ik toch even kwijt.”
Christina Guirlande (in: mail van 22/05/2007)
*
- “… Voor Meekers primeert de inhoud en komt het erop aan de meest geschikte vorm te kiezen om deze tot uitdrukking te brengen. Hij lukt daar wonderwel in. Als geen kijkt hij achter de grafieklijnen, voelt hij aan wat de schilder en zijn werk beroert (…) De wat afstandelijke kijk is de enig juiste om de (over-)gevoelige empathie met de protagonist in goede banen te leiden. In de schitterende beelden, originele belichting en visie trilt het leven. Meekers is een meester in het sensibel verwoorden van de fijnste sentimenten en zielenroerselen. Je krijgt er koude rillingen van zoals in het gedicht “Waaraf en waaraan”. In een afwisseling van recht-voor-de-raapse volkse taal en geraffineerde suggestie roept hij deernis op met de verschopten van de maatschappij. Hij zet de outlaws, de misdeelden met gedurfde toetsen ironie op poten. Ik las de laatste jaren weinig verzen met zulk een diepgang en zo’n sociaal engagement. Niet verwonderlijk van een auteur die bekroond werd met de Masereel-prijs (…) Dit is “haute schriftuur”, sober, passend, op de juiste maat gesneden poëzie, zonder grote uithalen, vulgariteit of autistisch taalgerommel. De schilderijen krijgen een opknapbeurt, het vergeelde Antwerpen leeft in zijn gedichten weer op, de haven en zijn arbeiders staan te glanzen. We kijken in de intimiteit van de schilder met een reeks pregnante liefdesverzen voor Augustine en berusten met hem mee in het onvermijdelijke: een meeslepend literair avontuur!
(…) Wie zich niet in de figuur van Van Mieghem of in de problematiek kan vinden, kan zich tegoed doen aan de meesterlijke hantering van de taal, met schitterende vondsten. Een aanrader voor wie kennis wil maken met het voldragen, volwassen, lucide beeldgedicht, waar poëzie en beeld op gelijke voet met elkaar omgaan, waar het woord een meerwaarde betekent voor het artistieke werk.”
R. Van Tulden (in: Bladwijs, december 2006, p.3, ill.)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten